Geboren als Manley Augustus Buchanan in
februari 1955 te Jamaica, West Indies. Een artiest van de hoogste orde, die
zijn jeugd begon in armoede en als taxi chauffeur zijn geld
bijeen sprokkelde. Hij kwam uit een gezin van vijf kinderen, zijn vader was
politieman en zijn moeder dominee. Daarna werkte hij als monteur in de hotels
van Skyline en Sheraton te Kingston. Hij oefende op werk, luisterend naar zijn
stem in de echonde lege kamers en pakte af en toe de microfoon op feesten en
kreeg een beetje ervaring. Zijn populariteit steeg geleidelijk nadat Big Youth
de DJ werd voor Lord Tippertone sound systeem (een van de top soundsystems in
de begin jaren zeventig), waar hij regelmatig andere DJs ontmoette een aan
zijn reputatie werkte. Het duurde niet lang of hij werd gevraagd door
platenbazen.


Ongelukkigerwijze hadden zijn eerste pogingen
zoals Movie Man (Movie Star, Errol Dunkley), uitgebracht op Gregory Isaacs
en Errol Dunkleys African Museum label in januari 1972, niet de vibe van zijn
live magie. Verdere singles als
The Best Big Youth (ook bekend als Black Cindy) met Jimmy Radway, Tell It
Black (een versie over Dennis Browns Black Magic Women) en Phil Pratt
Thing (Derricks Harriott, Riding For A Fall) met producer Phill Pratt,
hielpen uiteindelijk zijn reputatie. Maar brachten hem ook nog niet naar de top.
Zelfs Fire Bunn geproduceerd door Niney Holness met zijn mega hit
Blood&Fire hit deed het publiek niet tot kopen overgaan. Dit werd
uiteindelijk oa. doorbroken door de opkomende producer (toen nog een tiener)
Gussie Clarke met The Killer single, een toast over het Augustus Pablos
nummer. Het werd nog gevolgd door Tippertone Rocking ook een klein hitje.

Maar zijn eerste opname voor Keith Hudson in
1972 veranderde echt alles. Hudson was een producer die DJs begreep en wist
hoe hij ze moest brengen. Hij was een van de eerste die ook U-Roy en Dennis
Alcapone in de studio kreeg. Big Youths hit S90 Skank bleef nummer 1 hit
voor vele weken in Jamaica. Het was het vieren van West-Kingstons cult van het
motorrijden (Honda S.90), die te horen was op de plaat. Voor de opname was de
motor de studio ingereden, waarbij Big Youth bij het geluid van de motor
uitroept: Dont you ride like lightning or youll crash like thunder. Hij nam
in die zelfde week ook wat nummers met Glen Brown op Come Into My Parlour en
Opportunity Rocks. En in de tussentijd had hij ook wat materiaal opgenomen
bij Gussie Clarke wat resulteerde in 1973 met het album Screaming Target. Het was een
productief weekje. Het album bevatte Screaming Target (een versie van K.C.
White's No No No en Prince Buster's Chi Chi Run), de Derrick
Harriott-geproduceerde Cool Breeze en de Joe Gibbs-geproduceerde A So We
Stay (een versie van Dennis Brown's Money in My Pocket) en zat trots voor
een jaar in de top 20 in Jamaica.

Voor de komende jaren reed hij als lightning
en was in populariteit alleen Bob Marley groter. Zelfs Bob kon niet tippen aan
zijn unieke uitstraling met zijn rood, geel en groene diamanten ingelegde
voortanden. Hij maakte al eerder opname voor Perry, Mooving Version (Keep On
Moving, Bob Marley), Bibe, Black On Black (Bide Up, Bunny Wailer) in 1972
met toen nog wat minder succes. Hij stond voor de vertaling van het geluid uit
de ghetto. Big Youth maakte nieuwe standaards voor de DJs door vette lyrics op
platen en het aansporen van dansers tot grote hoogte. De verhalen die hij
vertelde gaven een kijkje in de keuken van downtown Kingston met zijn de
rastafari jeugd. Zijn debuut set bevatte rhythms van Dennis Brown en Gregory
Isaacs opnames. Hit na hit volgde en hoewel hij het beste gaf voor alle
producers (Prince Buster, Joe Gibbs, Derrick Harriott en Winston Riley), zijn
eigen producties waren zelfs nog beter. Hij formeerde het Negusa Nagast
(Amharisch voor koning der koningen) en Augustus Buchanan labels in 1973 voor
een meer artistieke en financile controle van zijn carrire.


Big Youth bracht het zelfde jaar zijn tweede
album uit, Reggae Phenomenon. Het bevatte nieuwe nummers, remakes van oude
opnames en grote hits zoals de titel track (een andere versie van Dennis
Brown's Money in My Pocket), Dread Inna Babylon en Natty Dread No Jester
(een versie van Paragons' Only a Smile). Glen Brown had een hit met Dubbie
Attack, Tony Robinson met House of Dreadlocks en Mammy Hot and Daddy Cold,
Buddy Davidson produceerde Johnny Dead. Yabby You zat achter de knoppen bij
Yabby Youth, de eerste van vele versies die de DJ maakte met het Conquering
Lion rhythm. Hij werd een superstar op Jamaica en reisde met Dennis Brown naar
Engeland voor spectaculaire live shows. Zijn begeleidingsband was de Ark
Angels en die van Dennis Brown; de Joe Gibbs and the Professionals.

Big Youth ging ook weer met Dennis Brown samenwerken
voor de Harry J.-geproduceerde Wild Goose Chase. Niney Holness hield het duo
bij elkaar voor zijn Ride on Ride On. De twee gingen door en namen een versie
van Bob Marley's Get up Stand Up op. Marley's versie was niet alleen; naast
het toasten over klassieke rocksteady rhythms, was Big Youth nu bezig met zware
roots rhythms. Meest opmerkelijke I Pray Thee, een versie van Abyssinians'
Satta Amasa Gana, en een versie van Burning Spear's klassieke Marcus
Garvey.
In 1975, verscheen het album Dreadlocks
Dread
op het toneel, een album tussen
Big Youth's toasts en instrumentale dubs. Begeleid door de Skin, Flesh
& Bones Band, het album blijft een masterpiece van dread roots en
provocatieve culturele toasts.



Dreadlocks Dread had een enorme impact op de
UK, waar het werd opgepikt door het Klik label en dat Big Youth promootte op
zijn tour het volgende jaar. 1976 bracht twee albums, Natty Cultural Dread en Hit the Road
Jack (meer
soulvol). Beide zelf geproduceerd en op de top van zijn krachten. Weer bevatte
het album hits, Ten Against One en Wolf in Sheeps Clothing en nieuwe
nummers. Interessant was dat Natty Cultural Dread ook het nummer Every
Nigger Is a Star bevatte, begeleid door de I-Threes, die hiermee hun opname
debuut maakten. 1977 bracht hij het nummer Four Sevens, een versie van
Culture's Two Sevens Clash geproduceerd door Niney Holness, het tweetal
volgde met Six Dead, 19 Gone to Jail. De London Rainbow show in 1977 moet
invloed hebben gehad op de Johnny Rotten die samen met hem na de show even van
een jointje ging genieten.


Big Youth tekende nu bij het Frontline label
in de UK, Big Youth's debuut album voor Virgin was in 1978, Isaiah First
Prophet of Old, een stevig roots album geproduceerd door D. Russell. De DJ had
ook een rol in de film Rockers. 1978 zag ook de single Green Bay Killers het
licht, een nummer over de dood van een groep rastas door de hand van de
jamaicaanse leger. Misschien dat Virgin, Big Youth iets te radicaal vond en
besloot de twee volgende albums Progress en Rock Holy niet meer uit te
brengen. Ook hadden ze geen interesse meer in de dub versie, de uitstekende Reggae
Gi Dem Dub, geremixed door Sylvan Morris. Ook begon zich nu een nieuwe
generatie zich te roeren.


Big Youth bleef uitbrengen maar regeerde niet
meer de hitlijsten en de meeste singles waren zelf geproduceerd en uitgebracht
op zijn eigen labels. Het Heartbeat label met Some Great Big Youth verzamelde veel
laat-'70s en begin-'80s materiaal; het label volgende verzamelaar was, The
Chanting Dread Inna Fine Style, wat zich meer concentreerde op eerdere
Negusa Negast singles.


Het opkomende geweld in dancehalls bracht hem
terug naar de studio in 1982 voor No War in the Dance, voor producer Lloyd
Parks. Hij bewees dat zijn populariteit niet helemaal weg was, met een goede
set op het Reggae Sunsplash voor een groot publiek in die zomer, met
herhalingen in het volgende jaar en opnieuw in 1987. In 1985, bracht Big Youth
een verrassend nieuw nieuwe plaat uit, A Luta Continua, waar hij
getransformeerd is van toaster tot zanger en roots rasta tot jazzman, begeleid
door de Jamaicaanse jazz held Herbie Miller.
Twee jaar later, bracht Niney Holness, Big
Youth terug in de studio en nam het opmerkzame Chanting op. Big Youth liet
zich in 1991 nog van zich horen op hett Japansplash festival in Osaka, en met
een sterke set op Jamming in the House of Dread album.



Veel van zijn platen zijn ijzerstrek, met
goede lyrics en zware rhythms. Hij bracht niet veel buiten de jamaicaanse markt
uit, misschien door zijn iets te ruwe stijl, maar benvloedde vernieuwingen in
reggae en rap. Ik zelf vind zijn hoogtepunten ook wel tot en met Reggae
Phenomenon liggen. Met als regel rechte klassieke Screaming Target. Wat trouwens nog wel
een erg sterke compilatie is: Everyday Skank een must voor de
reggae liefhebber. Ik heb zijn latere periode ook niet meer beschreven (na
1995). Misschien kan je die zelf nog wel eens op een website vinden, ze doen mij te
veel het eerdere werk te niet. Maar alhoewel dus zijn optredens en singles nu
veel minder vaak voorkomen, stond Big Youth langer aan de top dan welke DJ dan
ook. Wat dat betreft wordt hij misschien alleen door U-Roy voorbij gestreden. Big Youth is groot en wordt
gerespecteerd door de gehele reggae wereld.

Discografie 1972-95
Albums, Label, Producer, Jaartal
- Chi Chi Run (& Various), Fab, Prince Buster, 1972
- Screaming Target, Trojan, Augustus (Gussie) Clarke, 1973, 1989
- Reggae Phenomenon, Augustus Buchanen, Manley Buchanen 1975
- Dread Locks Dread, Klick, Front Line, Midnite Records, Caroline
Tony Robinson/Big Youth 1975,
1978, 1990
- Natty Cultural Dread, Trojan, Manley Buchannen, 1976
- Hit The Road Jack, Trojan, Big Youth, 1976
- Reggae Phenomenon, (Double Album, same as above, but with extra
album of various tracks), Trojan, Manley Buchannen/Various, 1977, 1990
- Isiah First Prophet Of Old, Nicola Delita, Caroline D. Russel,
1978
- Progress, Nicola Delita, Negusa Negast Production, 1979
- Rock Holy, Negusa Negast, M. Buchanen, 1980
- Everyday Skank: Best Of Big Youth, Trojan, Various, 1980
- Some Great Big Youth, Heartbeat, Manley Buchanen, 1981
- Chanting Dread Inna Fine Style, Heartbeat, Manley Buchanen, 1983
- Live At Reggae Sunsplash, Genes, 1984
- A Luta Continua (The Struggle Continues), Heartbeat, 1986
- Manifestation, Heartbeat, Manley Buchanen, 1988
- Jamming In The House Of Dread, Danceteria, Manley Buchanen, 1990
- Higher Grounds, JR, VP Records, 1995
- Reggae Gi Dem Dub, Nichola Delita, Sylvian Morris, 1995